Stuwwallen
Zwerfstenen en Stuwwallen
De gootsteen van West-Europa, wordt Nederland ook wel genoemd. Zoals zich in een afvoerputje allerlei etensresten ophopen, zo is ons land de afgelopen honderdduizenden jaren een vergaarbak geworden voor buitenlandse stenen, die door rivieren en gletsjers zijn aangevoerd.
Ze worden zwerfstenen genoemd, alle stenen groter dan 25 mm die als afbraakmateriaal van gebergten zijn meegevoerd door rivieren en gletsjers. In feite zijn het ook zwervers van steen, die onze kant zijn uitgekomen. Ofwel ze zijn vanaf 2,5 miljoen jaar geleden met rivierwater meegekomen vanuit Frankrijk, België en of Duitsland of nog noordelijker. Soms zijn ze meegelift met het ijs vanuit Scandinavië, tijdens de voorlaatste ijstijd (ca. 150.000 jaar geleden).
Vanwege dat verschil in herkomst worden er in Nederland twee hoofdgroepen onderscheiden: de noordelijke en de zuidelijke groep. Ook de stuwwallen (Veluwe) zijn door invloeden uit het buitenland ontstaan (ijs). Gelderland (Nederland) is geologisch gezien nog erg jong. Het ontstaan van onze stuwwallen hangt samen met de stenen die we er vinden
Voor Nederland zijn drie riviersystemen van belang geweest. De Eridanos of het Baltische riviersysteem. Het was actief in ons land tijdens het Plioceen en het Vroeg-Pleistoceen, van ± 5.3 tot ± 0.8 miljoen jaar geleden. De afzettingen van de voorloper van de Noord-Duitse rivieren Eems, Weser en Elbe worden gekenmerkt door witte zanden met meer dan 90% transparante restkwarts dat afkomstig is van verweerde kristallijne gesteenten uit het Oostzeegebied en de Noord-Duitse middelgebergten.
De Rijn heeft zwerfstenen naar ons land vervoerd tijdens het Vroeg-, Midden- en Laat-Pleistoceen. De afzettingen worden gekenmerkt door bruine zanden vanwege het hoge ijzergehalte met vooral ondoorzichtige witte gangkwarts en grijze kwartsiet Het riviergrind van de Rijn is kleurrijk vanwege de vele soorten kristallijne en sedimentaire gesteenten afkomstig van het Rijn-Leisteenplateau en andere Duitse middelgebergten. Kenmerkende gesteenten zijn lydiet, Naheporfier, jaspis, melafier, basalt, Bontzandsteen en Taunuskwartsiet. Ook in deze afzettingen vinden we enkele zwerfstenen uit Scandinavië en het Oostzeegebied die via smeltwaterrivieren in de Rijn zijn beland.
De Maas heeft zwerfstenen aangevoerd tijdens het Vroeg, Midden- en Laat-Pleistoceen. Ook de Maasafzettingen worden gekenmerkt door bruine zanden met ondoorzichtige witte gangkwarts en grijze kwartsiet. Het grind is grauwer en grover dan dat van de Rijn omdat het stroomgebied kleiner is. De zwerfstenen van de Maas bestaan vooral uit kristallijne en sedimentaire gesteenten uit de Ardennen, Noord-Frankrijk en de Vogezen en omvatten in tegenstelling tot de zwerfstenen van de Rijn veel kalkstenen en vuurstenen. Kenmerkende gesteenten zijn gerolde vuursteen, Burnot Conglomeraat, Révinienkwartsiet,.
Zuidelijke zwerfstenen zijn eigenlijk de afbraakproducten van gebergten en zijn daarmee het eindproduct van de gesteentecyclus. Deze cyclus begint met gebergtevorming en eindigt door verwering en erosie van het gebergte met het transport en de sedimentatie van de afbraakproducten. Het klimaat speelt een belangrijke rol in het transport van zwerfstenen naar ons land, omdat het klimaat namelijk de manier en de mate van afbraak bepaalt. Zo zijn de meeste zwerfstenen aangevoerd tijdens glacialen. De afwezigheid van vegetatie in een koud klimaat stimuleert namelijk erosie en fysische verwering en maakt het mogelijk dat rivieren een vlechtend patroon vormen met een hoge stroomsnelheid en dus draagkracht. Bovendien wordt er tijdens glacialen meer sediment aangevoerd omdat rivieren zich ten gevolge van zeespiegeldaling in het landschap insnijden en er een sterke piekafvoer van smeltwater in het voorjaar optreedt. Daarentegen treedt tijdens het warme klimaat van interglacialen vooral chemische verwering op en vormen rivieren een meanderend patroon met een regelmatiger afvoer en een lagere stroomsnelheid.